Grafilab

Creativiteit & Kunst — Ideeën & Bronnen voor de Nederlandse regio

Daar ik fotograaf en textielkunstenaar die al jaren werkt met enerzijds analoge alsook digitale technieken, zie ik dat bekijk de details combinatie van fotografie en textiel nieuwe manieren opent om narratieven te delen. In dit artikel presenteer ik concrete inzichten, werkwijzen en referenties die je onmiddellijk kunt toepassen, of je nu net begint of al een persoonlijke praktijk hebt opgebouwd.

Het stikken als compositie-technisch middel

Het naaien is niet louter afwerking maar een actief onderdeel van de compositie. Door draden van verschillende dikte te gebruiken, kan ik lijnen toevoegen die de foto nog meer verdelen of juist verbinden. Bij een serie over migratiepatronen borduurde ik bijvoorbeeld dunne rode lijnen over de foto’s heen, die de routes van vogels navolgden die ik eerder had gefotografeerd.

De stikrichting is cruciaal. Een horizontale steek volgt de richting van de weefseldraden en blijft nagenoeg onzichtbaar. Een verticale of diagonale steek verstoort het patroon en valt op. Ik gebruik daarom een mix van beide: de horizontale steek voor subtiele correcties en de diagonale steek voor accenten die het verhaal kracht bijzetten.

De kleur van de draad bepaalt of de naad versmelt met de foto of juist contrasteert. Bij een donkere foto selecteer ik een donkere draad zodat de steek uitsluitend te zien is als het licht onder een hoek valt. Bij een lichte foto pas ik toe een contrasterende kleur om een extra laag toe te voegen die de toeschouwer uitnodigt om dichterbij te komen.

Voorbehandeling van het textieloppervlak

Voordat een foto op textiel belandt, hoort het oppervlak worden voorbehandeld. Ik was het doek aanvankelijk op 60 graden om alle appret te weg te nemen. Hierna breng ik een een dunne laag polyurethaan aan die de inkt beter absorbeert. Deze laag is transparant en beïnvloedt de kleur van het weefsel weinig, maar waarborgt dat de inkt niet door de draden heen loopt.

Het drogen gebeurt op een rekbare frame zodat het doek strak wordt gehouden. Als het frame te klein weegt, verschijnen er golven die later bij het printen voor onscherpte leiden. Ik bepaal daarom altijd de exacte afmetingen van het frame en noteer die bij het bestand, zodat ik later exact weet hoe het doek zich heeft gedragen.

Een tweede voorbehandeling betreft het aanbrengen van een lichte primer op basis van acryl. Deze primer creëert het oppervlak iets gladder zonder de textuur geheel weg te halen. Bij fijne foto’s met veel detail, zoals macro-opnames van planten, zie ik dat de primer het contrast versterkt en de kleuren intenser doet uitkomen.

Belichting en contrast bij het drukken

De belichting tijdens het printen bepaald hoe nauwkeurig de details op het textiel waarneembaar worden. Ik werkzaam met een UV-lamp die ik op een stabiele afstand van 40 centimeter boven het doek plaats. Te dichtbij resulteert in overbelichting en vlekken; te ver weg produceert een te subtiele overgang tussen lichte en donkere partijen.

Contrast is een andere variabele. Een foto met hoge contrastwaarden kan op textiel te fel ogen, omdat de vezels het licht diffuus maken. Ik verlaag daarom het contrast met ongeveer 15 procent in de digitale bewerking voordat ik print. Dat biedt een organischere overgang en belet dat schaduwen volledig zwart worden.

Ik test altijd een strookje van 10 bij 30 centimeter met verschillende contrastwaarden. Op die strook registreer ik de exacte instellingen van de printer en de belichtingstijd. Zo bouw ik een referentietabel op die ik kan gebruiken bij nieuwe projecten zonder telkens opnieuw te hoeven experimenteren.

Het samenspel van licht en draadstructuur

Een afbeelding die op textiel wordt afgedrukt, verkrijgt een afwijkende visuele laag omdat het licht door de draden reflecteert en verspreidt. Het resultaat is in geen geval exact hetzelfde als op papier. Ik optioneer daarom steeds voor een testafdruk op het definitieve doek vooraleer ik een omvangrijk werk maak. Zo ontdek ik hoe de structuur van linnen, katoen ofwel zijde het contrast en de tint tempert of juist versterkt.

Het licht welke op een textieloppervlak schijnt, wijzigt per uur en per vertrek. In mijn atelier test ik daarom prints op verschillende momenten van de dag. Een foto die bij de ochtend neutraal overkomt, kan in de middag heter uitvallen door de zuiderlijke lichtval. Door dit te registreren, creëer ik een klein lichtlogboek op dat ik later kan consulteren bij nieuwe projecten.

Om de vezeltextuur zichtbaar te behouden, pas ik toe een matte inktlaag in plaats van een glansvolle coating. De matte laag verhindert dat het licht te veel weerkaatst en houdt de weefselstructuur van het weefsel ongeschonden. Dit is in het bijzonder cruciaal bij portretten waarbij huidstructuur en kledingdetails een betekenis hebben.

Verslaglegging van het creatieve proces

Het vastleggen van het proces draagt ertoe bij om later te reflecteren op overwegingen die tijdens het maken zijn gemaakt. Ik fotografeer elke fase met een vaste camera-standaard en dezelfde lichtinstelling. Zo wordt er gecreëerd een serie die toont hoe een idee zich evolueert van schets tot eindwerk.

De documentatie omvat ook niet-geslaagde experimenten. Een print die te donker blijkt of een naad die scheef loopt, wordt tevens vastgelegd. Door deze tegenslagen te behouden, zie ik structuren in wat niet lukt en kan ik die in een toekomstig project omzeilen. Het archief van mislukkingen is om die reden even belangrijk als het archief van geslaagde werken.

De documentatie wordt uiteindelijk zelf een creatie. Ik kies een aantal procesfoto’s en druk die op dun vel dat ik vervolgens op het definitieve textielwerk plak. Zo wordt gecreëerd een tweevoudige laag waarin enerzijds het eindwerk als de weg ernaartoe waarneembaar wordt. Dit verschaft de toeschouwer inzicht in de complexiteit van het productieproces.

Bewaring en bewaring van hybride werken

Hybride werken van foto en textiel behoeven een afwijkende bewaarwijze dan conventionele foto’s. Ik bewaar ze liggend in zuurvrije dozen met intermediaire vellen Tyvek. Tyvek is ventilerend en verhindert dat vocht zich ophoopt, terwijl het tegelijk stof en licht tegenhoudt.

Temperatuur en luchtvochtigheid moeten stabiel te blijven. Een schommeling van meer dan 5 graden Celsius per dag mag de lijm tussen foto en textiel aantasten. Ik meet daarom de condities in de opslagruimte met een digitale hygrometer en noteer de waarden elke week. Bij afwijkingen pas ik de ventilatie aan of breng ik de dozen naar een andere ruimte.

Voor transport maak ik gebruik van een platte kist met schuimrubber aan de binnenkant. Het schuimrubber is uitgezaagd in de vorm van het werk, zodat het niet kan bewegen. Op de buitenkant bevestig ik een label met de afmetingen en het gewicht, zodat de vervoerder weet dat het werk kwetsbaar is en liggend dient worden vervoerd.

De keuze tussen digitale en analoge technieken

Digitale fotografie levert snelheid en herhaalbaarheid, maar mist soms de tactiele kwaliteit die analoge opnames hebben. Ik werk daarom met een middenformaat camera voor de digitale reeks en een 4×5 inch camera voor de analoge reeks. De twee series worden later naast nos.nl elkaar gelegd om te bepalen welke sfeer het beste past bij het textielproject.

Analoge film heeft een korrel die zichtbaar is na het printen op textiel. Die korrel kan een extra laag geven aan het verhaal. Bij een serie over industriële gebouwen combineerde ik bijvoorbeeld korrelige zwart-wit foto’s met grof geweven jute. De korrel versterkte het gevoel van ouderdom en slijtage dat het gebouw al uitte.

Digitale technieken zijn echter noodzakelijk als ik meerdere lagen wil combineren. Met Photoshop kan ik een foto eerst omzetten in een rasterpatroon dat overeenkomt met een weefselstructuur. Dat raster print ik vervolgens op een dunne zijde die ik weer op een dikkere drager naai. Zo ontstaat een dubbele laag die zowel digitaal als handmatig tot stand is gekomen.

© GrafiLab 2021. Prawa zastrzeżone.